dinsdag 26 april 2011

Lange schaduwen


Een geheim kerkhof van vergeten boeken is een concept dat me aanspreekt. Er zijn zoveel mooie, intrigerende pennenvruchten. Veel van de boeken die ik koester worden allang niet meer gedrukt - misschien is er te weinig vraag naar. Ik hou van de boeken in mijn boekenkast - beroemd of vergeten, prachtig ingebonden of uit elkaar vallende pockets, het maakt me niets uit. Ik beoordeel ze op hun inhoud, niet op hun cover.

En het was om dit aansprekende concept - ja, volmondig ja, er zou een kerkhof moeten zijn voor al die boeken die vergeten zijn, misschien bestaat het echt? - dat Carlos Ruiz Zafón mij onweerstaanbaar ‘De schaduw van de wind' introk, waar het boekenkerkhof in het allereerste hoofdstuk opdoemde. Er was ook nog een andere reden: de roman was me aangeraden door mijn oom, en hij is een van de meest fanatieke lezers die ik ken, al sinds zijn prille jeugd. Ik stel prijs op zijn oordeel.

Al op bladzijde 13 gebeurt er iets dat vervreemdt: een kind, een halve wees, vindt in het Kerkhof der Vergeten Boeken een wijnkleurig, timide boek, een boek dat exact dezelfde titel draagt als het boek dat ik aan het lezen ben: de schaduw van de wind. Alleen de naam van de schrijver wijkt af van het exemplaar dat ik vasthoud.

En al lezend ga ik houden van de personages. Van het kind, Daniel, dat langzaam en pijnlijk groot groeit. Van zijn vader, die figuur op de achtergrond, betrouwbaar en tegelijk kwetsbaar, zo vergankelijk. Van de wereldwijze blinde Clara. En ach, Fermin, kleurrijk, resourceful, nooit voor één gat te vangen. Niet kapot te krijgen. Van hem houd ik het meest. En in de schaduwen: Julián, hoofdpersoon ondanks zichzelf, en Penélope, eeuwig jong.

Ik hou van de mensen die Zafón voor me schildert, in het Barcelona uit het Franco-tijdperk. Ze zijn sterk, ze zijn zwak - zoekend en improviserend. Ze zijn menselijk en echt en tastbaar. Ze rijzen op uit de bladzijden, levend, ademend. In een interview met de Volkskrant zegt Zafón: ‘Ik voel dingen. Ik denk dat plekken en mensen iets hebben dat in de lucht blijft hangen. Ik neem dat in me op als ik er loop.' Dat verklaart misschien hoe Zafón, mijn generatiegenoot, zo levendig kan schrijven over een tijdperk dat al voorbij was toen hij geboren werd.

Kom, zegt Fermin tegen mij. Er wordt op u en mij gewacht. Het leven wacht op ons. Maar ik, ik lees nog even verder, in de epiloog. En moet opeens denken aan mijn oude vriend, Charles Dickens. Even later zie ik hoe twee dampige figuurtjes, vader en zoon, oplossen tussen de mensen op de Ramblas, hun voetstappen voor altijd verloren in de schaduw van de wind. En ik - ik leg zuchtend, onwillig, mijn boek terzijde.



Carlos Ruiz Zafón
De schaduw van de wind
(La sombra del viento)
2001
Uitgeverij Signature
ISBN 978 90 5672 078 0




Laatste paragraaf van dit stuk: vrij naar Zafón
Beeld: Denzil39 op www.sxc.hu

zondag 24 april 2011

Mag ik je even meenemen?


Mag ik je even meenemen naar Brooklyn? Ik ben daar nog nooit geweest. En toch ken ik het als mijn broekzak. Dat zit zo. In mijn boekenkast staat een tweedehands pocket, die bijna uit elkaar valt. Nog even en ik moet de brokken met een elastiekje bij elkaar houden. Ik heb veel boeken in mijn boekenkast: paperbacks, gebonden exemplaren, een paar eerste edities. Maar van deze roman, die zich in Brooklyn afspeelt, houd ik het meest. Ga je mee?

Asjer Lev groeit op in Crown Heights, Brooklyn, als enig kind van orthodox-joodse ouders. In Asjer’s leven speelt de Rebbe (*) een bijna even prominente rol als zijn eigen vader. Zijn ouders zijn bevlogen mensen die zich op hun manier inzetten voor een betere wereld. Daarbij lijken ze af en toe hun kind te vergeten. Asjer ziet zijn vader weinig; die is veelal op reis ‘voor de Rebbe’. Asjer blijkt een gave te hebben. Hij ontwikkelt zich gaandeweg van een kind dat goed kan tekenen tot een fenomenaal kunstenaar. En dat brengt hem in de problemen. Gelovige joden schilderen niet. Schilderen en tekenen is een prima bezigheid voor kinderen, daarna hoor je je te wijden aan andere, gewichtiger zaken.

De Rebbe, een wijs man, probeert Asjer binnen de gemeenschap te houden. Hij stuurt hem daarom naar een bevriende joodse kunstenaar voor schilderles. Toch kan de Rebbe niet voorkomen dat Asjer een andere wereld betreedt. Een wereld waarin hij op zijn minst opvalt met zijn haarlokken en afwijkende kleding. Er komt een moment waarop Asjer’s beide werelden – de besloten orthodoxe gemeenschap waarin hij opgroeide en de grote wereld daarbuiten – niet meer in elkaar passen.

‘Mijn naam is Asjer Lev’ is ingetogen, bijna onderkoeld geschreven. Er staat geen overtollig woord in. Het is hartverscheurend zonder overdaad. En het biedt een blik in een andere wereld.


Mijn naam is Asjer Lev
Chaim Potok
Oorspronkelijk verschenen in 1972
In 1990 verscheen het vervolg, ‘ De gave van Asjer Lev’.
Uitgeverij BZZTÔH, 1993.
ISBN 90 6291 819 0


(*) Uitleg en achtergrond
Binnen het jodendom zijn er, net als in de meeste andere religies, veel verschillende stromingen. Eén daarvan is het chassidisme, een orthodoxe vorm van jodendom, waarbinnen naast veel regels ook een belangrijke plaats wordt toegekend aan de vreugde en de spirituele kant van de religie. Centraal binnen een chassidische gemeenschap staat een rabbijn. De grootste chassidische beweging is Chabad-Lubavitch, met als hoofdkwartier Crown Heights, Brooklyn. Aan het hoofd stond ‘de Rebbe’ Menachem Mendel Schneerson zts”l. Het is niet moeilijk, deze invloedrijke man te herkennen als inspiratiebron voor ‘de Rebbe’ die in Potok’s boek zo’n prominente rol speelt.

zaterdag 26 maart 2011

Volg dat kasteel!

















Heb je het ook helemaal gehad met al die massageproduceerde Japanse tekenfilms? Als jij (of je kind) Jetix of Nickelodeon aanzet, zie je negen van de tien keer een slecht getekende vechtscène uit Pokémon, B-daman of Yu-Gi-Oh! Toch hebben wij door deze series een te eenzijdig beeld gekregen van de Japanse tekenfilmindustrie. ‘Anime’ is de verzamelnaam voor Japanse tekenfilms en tekenfilmseries van uiteenlopende genres als erotiek, science fiction en mechaniek (robots). Maar ook Maja de Bij, Vrouwtje Theelepel en die bovenste beste Calimero zijn in Japan gemaakt.

Tegenwoordig komen er af en toe andersoortige films en series uit Japan. Maja de Bij, Vrouwtje Theelepel en ook Heidi werden weliswaar in Japan geproduceerd maar ademden Europa. Heel anders is het gesteld met de serie Shin Chan, populair bij kleuters van nu. Het ondeugende jochie Shin Chan, zijn dagelijks leven en zijn omgeving zijn nadrukkelijk Japans. En ook Howl’s Moving Castle, de in 2004 uitgebrachte tekenfilm van de makers van ‘Spirited away’ is nauwelijks Westers te noemen. En dat is vreemd, aangezien deze bioscoopfilm is gebaseerd op een verhaal van de Britse Diana Wynne Jones. De hoofdfiguren en landschappen ogen ook eerder Europees dan Japans. En toch had deze film, vanwege zijn sfeer en dialogen, niet in Europa gemaakt kunnen zijn.

Howl’s Moving Castle is een subliem getekend grimmig sprookje over een betoverde wereld. Een jong meisje wordt opeens een oude vrouw. Vormeloze wezens doemen in het landschap op. Idyllische dorpjes worden vanuit de lucht bedreigd door futuristische oorlogsvliegtuigen. Een knappe jonge tovenaar, Howl, lijkt beurtelings een engel en een monster. Een eeuwig brandend vuurtje houdt zijn hart gevangen. Howl zelf bewoont een betoverd kasteel dat zich op eigen kracht voortbeweegt en van vorm verandert. Als je het helemaal gehad hebt met Japanse tekenfilms, dan moet je deze film beslist zien. Leeftijd onbelangrijk. Beklemmend! Betoverend!



Howl’s Moving Castle
2004
Regie: Hayao Miyazaki
Kijkwijzer aanbeveling: vanaf 6 jaar
Mijn aanbeveling: vanaf 9 jaar

Dit artikel is eerder gepubliceerd op het Volkskrantblog



zondag 27 februari 2011

Afscheid van het Volkskrantblog


De Volkskrant heeft de afgelopen tijd laten zien hoe je vooral níet moet omgaan met een community die je zelf in het leven hebt geroepen. Een terugblik, nu het Volkskrantblog op het punt staat, ter ziele te gaan.

Ontstaan
Het is 2005 als een nieuw blogplatform van start gaat onder de vlag van de Volkskrant. De krant nodigt bloggers actief uit om op dit platform een podium in te richten. Een aanbod waarvan velen dankbaar gebruik maken; het lijkt een aantrekkelijke manier om je naam aan die van een bekend dagblad te verbinden. Bij sommigen leeft ook de hoop, op die manier de gedroomde stap te kunnen maken naar publicatie in de papieren krant.

Voor de Volkskrant zelf is het doel, een antwoord te formuleren op de structurele problemen waar vrijwel ieder dagblad in het digitale tijdperk mee kampt. Burgerjournalistiek krijgt een plek en de krant hoopt dat dit podium een bron voor nieuws wordt, ook voor de papieren krant.

Bloei en interactie
In 2007 komt voor sommige VK-bloggers een droom uit; iedere week wordt een column van een door de redactie geselecteerde ‘blogger van de week’ in de papieren krant doorgeplaatst. Ook in de digitale editie verschijnen columns van bloggers. Daarnaast stelt de redactie een tijdlang een freelance redacteur aan die de ‘pareltjes’ op het VK-blog mag opduiken.

De would-be burgerjournalisten zelf zitten ook niet stil; in de loop der tijd ontstaat een ware community. Bloggers reageren zeer actief onder elkaars blog, richten een virtuele kroeg op, ontmoeten elkaar in het echt, raken bevriend, worden verliefd, wijden haatblogs aan elkaar, organiseren themadagen en schrijfestafettes. En ze bieden samen het hoofd aan ‘trollen’; notoire onruststokers die de reactieruimten vervuilen. Zo wordt het VK-blog een community, met alle mooie en minder mooie kenmerken die daarbij horen. Bloggers hebben het soms zo druk met elkaar, dat zij uit het oog verliezen dat een groot percentage van de lezers van buiten de community afkomstig is. Dit laatste vooral dankzij de fenomenale ontsluiting van het VK-blog via Google.

In 2009 investeert de Volkskrant nog een laatste keer in een flinke verbouwing van het platform. Door een ongelukkige fout komen de echte namen van veel onder pseudoniem schrijvende bloggers op straat te liggen. Voor veel van hen, die zich anoniem veilig voelden om hun soms zeer persoonlijke gedachten in het openbaar te publiceren, een erg pijnlijk moment. Iets dat nauwelijks wordt onderkend door de Volkskrantredacteuren, getuige hun in eerste instantie nogal laconieke reactie.

Burgerjournalistiek
Het oorspronkelijke doel van de Volkskrant met het VK-blog (“een podium voor burgerjournalisten”) wordt in de ogen van de redactie niet bereikt. De koppeling burgerjournalistiek – papieren krant komt niet tot stand. Aan wie dat ligt? De Volkskrant heeft nooit voorwaarden gesteld aan de onderwerpen voor blogs of aan de kwaliteit van de pennenvruchten. Het VK-blog wordt eerder een boeiende weergave van het leven zelf; amateurkunstenaars en –fotografen tonen hun werk, mensen schrijven persoonlijke blogs over uiteenlopende onderwerpen als kindermishandeling, toestanden in verpleeghuizen en leven met een lichamelijk of geestelijk gehandicapt kind. Anderen schrijven fictie, er verschijnen boek- en filmrecensies. En o ja, ook de politiek komt aan bod.

Moderatie
Vanaf het begin is moderatie een probleem. En dan met name het uitblijven ervan. Bloggers vliegen elkaar continu in de haren. Het feit dat velen onder pseudoniem en niet onder de werkelijke naam bloggen werkt in de hand dat zij zich veilig voelen wanneer zij de aanval openen op bloggers die hen niet aanstaan. Alleen in de meest extreme gevallen grijpt de redactie in.

Het doek valt
In 2009 krijgt Geert-Jan Bogaerts, chief online en een van de belangrijkste drijvende krachten achter het VK-blog, een andere functie bij de Volkskrant. Vanaf dat moment besteedt de krant zichtbaar steeds minder aandacht aan het VK-blog. Bij de verbouwing van het blog verhuizen de artikelen van Volkskrantredacteuren al naar een aparte plek. In 2010 meldt de webmoderator nog wel dat de Volkskrant actiever zal gaan modereren op het platform.

Op 7 januari 2011 valt bij de 15.000 actieve en inactieve bloggers een kort mailtje in de virtuele brievenbus. Hoofdredacteur Philippe Remarque meldt dat de Volkskrant per 1 maart stopt met het Volkskrantblog. Hij noemt het ‘misschien een vervelende mededeling’. Hij raadt de VK-bloggers aan om goed heenkomen te zoeken met hun blog. De Volkskrant biedt de VK-bloggers geen enkel gereedschap om het eigen opgebouwde archief veilig te stellen. Een ding is zeker: op 1 maart verdwijnen wat de Volkskrant betreft alle 250.000 blogs in het niets.

Bom
Het is een hard gelag voor bloggers, die soms al sinds 2005 trouw gebruik hebben gemaakt van het VK-podium. Duizenden uren werk zitten er vaak in. Het mag dan ook nauwelijks verbazing wekken dat het bericht bij zowel actieve als inactieve bloggers inslaat als een bom.

De Ombudsman, een medewerker van de Volkskrant, gooit in een blogartikel op 15 januari een vat olie op het vuur, adding insult to injury. In zijn ogen staat er “heel veel bagger” op het VK-blog. Verder schrijft de Ombudsman onder meer: “Het blog was een mooie speeltuin voor veel mensen, maar van hoogwaardige burgerjournalistiek is geen sprake geweest. Ik kan me in ieder geval geen enkel blog herinneren dat heeft geleid tot nieuws voor de krant. Er is voor zover ik weet geen enkel stuk geweest dat heeft voldaan aan de strenge kwaliteitseisen die de redactie stelt, aan zichzelf, maar ook aan bijdragen van derden.”

Of de Ombudsman wat die kwaliteit betreft nu gelijk heeft of niet (feit is dat diverse bloggers elders succesvol zijn, bijvoorbeeld met een of meer boeken op hun naam): het is toch nauwelijks nodig om de community doelgericht een trap na te geven bij het ter ziele gaan van het platform.

Stilte
Na deze twee berichten vervalt de VK-redactie in stilte. Ondertussen is het een gekrakeel van jewelste op het VK-blog;de toon varieert van berustend of verdrietig tot uitermate agressief en respectloos. De een bedankt de krant voor het podium, al komt er nu een einde aan. De ander maakt de Ombudsman en de Volkskrant als geheel uit voor rotte vis. Wat overheerst is verbijstering. Ondertussen zoeken bloggers naarstig naar manieren om hun blog veilig te stellen. Er ontstaan diverse geslaagde en minder geslaagde initiatieven. Naar verluidt wordt er diverse malen contact gezocht met de Volkskrantredactie, die hier echter niet op ingaat.

Te weinig te laat
Op 22 februari, zegge en schrijve een kleine week voor het aangekondigde op zwart gaan van het VK-blog, krijgen bloggers bij het inloggen een korte boodschap te zien van de Volkskrant. Daarin meldt de Weblogmoderator, die tot dat moment niets van zich heeft laten horen over dit onderwerp, dat de Volkskrant overeenstemming heeft bereikt met Sanoma Digital. Bloggers kunnen hun blog verplaatsen naar web-log (dit kon natuurlijk al) en zij zullen ‘tijdig’ instructies krijgen hoe ze dit moeten aanpakken. Tot 1 juni blijft het Volkskrantblog nog in de lucht.

Om in te kunnen loggen op hun blog moeten bloggers dit bericht ‘aanvaarden’. Het nieuws wordt ook op het VK-blog geplaatst; reacties zijn niet toegestaan. Met uiteraard als gevolg dat de ene na de andere blogger zelf een blogartikel aan dit nieuws wijdt, in wederom de meest uiteenlopende toonaarden. Bloggers die niet meer actief zijn, maar soms nog wel een enorm archief op het blog hebben, krijgen geen enkele melding over dit laatste nieuws vanuit de Volkskrant.

Respect
Het staat de Volkskrant natuurlijk vrij om de stekker uit het eigen online platform te trekken. De krant is ooit met veel durf in een experiment gestapt. Helaas heeft het niet uitgepakt zoals het de krant ooit voor ogen stond. De manier waarop een en ander is verlopen is echter bepaald niet elegant te noemen. Op de een of andere manier is er de afgelopen jaren iets faliekant misgegaan in de manier waarop de krant en haar bloggers elkaar benaderen. Simpel gezegd is er wederzijds een compleet gebrek aan vertrouwen en respect.

Conclusie
De Volkskrant heeft destijds bij het actief binnenhalen van bloggers niet aangestuurd op het type bloggers dat de krant voor ogen stond (burgerjournalisten) of over nieuwswaarde als vereiste. Bovendien heeft het de community (een uiterst belangrijk en niet te verwaarlozen aspect van het VK-blog) ten eerste onvoldoende onderkend en ten tweede structureel te weinig actief gemanaged.
 The Godfather van het VK-blog, Geert-Jan Bogaerts, bevestigt in zijn eigen artikel over dit onderwerp dat de Volkskrant als geheel deze community nooit erg serieus heeft genomen.

Wanneer je een community leven inblaast, zoals de Volkskrant heeft gedaan, kun je die na 6 jaar met goed fatsoen niet simpelweg opheffen zonder de actieve leden van zo'n community tijdig een redelijk alternatief te bieden en hier duidelijk, tijdig en eerlijk over te communiceren. Je moet je ervan bewust zijn dat datgene wat je geschapen hebt – weliswaar onder jouw vlag - een eigen leven kan gaan leiden. Iets dat veel betekenis heeft voor mensen, buiten jou om. Het verdient aanbeveling om een door jou in het leven geroepen community voldoende te respecteren om er tenminste op een elegante manier de stekker uit te trekken.


donderdag 5 februari 2009

Verwondering














Soms verbaas ik me erover, hoe weinig ik eigenlijk zie. Ik ga zo op in mijn eigen gedachten, mijn wereld, mijn drukte, dat de echte wereld om me heen onopgemerkt blijft. Mijn zicht is beperkt tot het functionele landschap. Hier een drukke straat, daar een zebrapad, verderop mijn auto, waar is de parkeerautomaat, de pin, een drogist. Ondertussen loop ik honderden mensen voorbij, die niet bij me binnenkomen. Die ik slechts ervaar als een massa, een kluwen, waar ik mezelf doorheen moet loodsen. Ik zie de kinderwagen maar niet de baby. Ik zie een klein bewegend obstakel maar geen kind. Ik zie een auto maar geen gezin op wielen.

Alleen als mijn tijd helemaal van mezelf is, mijn agenda leeg en mijn hoofd rustig onthaast, dan openen mijn ogen zich. De charme van vakantie, een dagje weg, een vreemde plaats: met open ogen rondlopen. Daarom ken ik alle plekken waar ik ooit geweest ben beter dan mijn eigen woonplaats. Amsterdam is zo'n plek voor mij. Hoe minder ik er kom, hoe meer ik zie, me verwonder, observeer, nadenk over wat ik zie, alles wat niet in mijn agenda staat.

Zomaar wat rondbanjeren door Amsterdam, in een winkelstraat lopen en geen kleren hoeven kopen, dat is prettig. Alleen maar kijken. Pas als ik uitgekocht ben zie ik de etalagepop en niet alleen de kleding. Een hip meisje in een rood geruit rokje, ruziezoekend kijkend naar haar buurpop, de stoere jongen de buit. Ik zie snobistische slanke popjes, akelige beenloze strakgekapte trutjes met leren jasjes en lijzige modepopjes, betekenisvol starend naar de winkelpui aan de overkant. Hier en daar een zwarte pop, alleen in hippe winkels en altijd van het type Naomi Campbell: zwart maar niet te, een brede mond maar een slanke neus, en kroeshaar is uit. En in elk kleurtje is de blik strak, met z'n allen veel te hip voor een glimlach. Zij zien mij niet.

Kijk de komende dagen ook eens op mijn fotoblog.

zondag 21 december 2008

Van helden en martelaren - en een feest tot slot














Artikel 6 van onze Grondwet regelt de vrijheid van godsdienst. De Assyriërs geloofden daar niet zo in, 2200 jaar geleden. Wel geloofden ze in massa’s Griekse goden. Dat had niet zo’n ramp hoeven zijn, als ze niet met een flink leger de buurt onveilig hadden gemaakt. Vervelend voor de joden, want die woonden in de buurt. En het was daar al zo onrustig geweest, de laatste tijd. Eerst waren ze door Nebukadnezar in ballingschap meegevoerd naar Babylonië (het huidige Irak). Na hun terugkeer onder leiding van Ezra was de Tempel, die Nebukadnezar verwoest had, herbouwd. Vervolgens hadden ze ongewenst bezoek gehad van de Perzen en Alexander de Grote.

Maar Antiochus en zijn Assyriërs spanden de kroon. Antiochus hield niet van monotheïsme en gebruikte agressieve bekeringsmethoden. Hij werd bijgestaan door hellenisten, joden die zich bekeerd hadden. Dat sommige joden dat deden was geen wonder. Op het praktiseren van de joodse religie, zoals sjabbes houden en je zoon besnijden, stond de doodstraf, en het volk werd gedwongen varkensvlees te eten. De Tempel werd verontreinigd en aan Zeus gewijd.

Antiochus stuitte echter op een voor die tijd ongekend zware weerstand, en veel joden stierven als martelaren. Onder leiding van Matitjahoe de Hogepriester en zijn zoon Jehoeda de Maccabeeër heroverde een leger joden met behulp van guerrillatactieken Jeruzalem. De Tempel werd gereinigd en in ere hersteld.

In de Tempel behoorde een eeuwig licht te branden, gevoed door olie, die gegarandeerd niet gebruikt was voor afgodendiensten. Uiteindelijk vonden de Maccabeeërs één oliekruikje dat nog verzegeld was. Ze staken de olielamp aan. En toen gebeurde het wonder. Want hoewel de olie in het kruikje maar voldoende was voor één dag, bleef het licht acht dagen branden – tot er nieuwe olie was geproduceerd. En dat, mijn vrienden, is het wonder dat we elk jaar vieren op de acht dagen van Chanoeka.


Eerder gepubliceerd op mijn blog bij het Volkskrantblog

zaterdag 1 november 2008

I ran out of bullets

Ik hou wel van een goeie actiefilm op z'n tijd. Lekker languit op de bank met een glaasje wijn en een stukje kaas, passiviteit ten top, toekijken hoe anderen zich in het zweet vechten, rennen, schieten en rijden. The Godfather blijft aardig om naar te kijken, al is het wat veel gepraat en relatief weinig actie. Misschien heeft deze cyclus daardoor wat aan populariteit ingeboet. Het gebeurt me tenminste regelmatig dat mensen hun wenkbrauwen verbaasd optrekken als ik iets zeg als: “I'll make him an offer he can't refuse”...

Het nadeel van veel actiefilms is, dat het zo verdraaid moeilijk is, je in te leven in de held van het verhaal. Rambo is een doorgedraaide gek, een gedachteloze spierbundel. Ik heb ook de grootste moeite, de drijfveren van Rocky te begrijpen. Wat is er in vredesnaam zo bevredigend aan, je keer op keer vrijwillig in elkaar te laten beuken? Bruce Lee is, nagesynchroniseerd en wel, voornamelijk onbedoeld komisch. Bij de Blues Brothers is de actie dermate ondergeschikt aan de humor, dat je zelfs de meest spectaculaire scènes aanschouwt zonder zelfs maar met je ogen te knipperen.

Met Robocop en z'n vierkante kaken kan ik al helemaal geen sympathie voelen. Dan is Terminator een stuk fijner om naar te kijken. Gedeeltelijk zit 'em dat in de oneliners (“Talk to the hand”, en natuurlijk het onsterfelijke “I'll be back”). Maar misschien nog belangrijker: Terminator mag dan een met enorme spierbundels beklede robot zijn, hij is wel een verouderd model, imperfect en uiteindelijk ook kwetsbaar. Dat maakt hem eh... menselijk.

De perfecte antiheld is echter Bruce Willis. Wie had ooit verwacht dat de komische jonge detective uit Moonlighting ooit zou eindigen als actieheld? Persoonlijk denk ik dat hij zijn succes vooral te danken heeft aan zijn neus. Toegegeven: van voren is het niets bijzonders, die neus, hij zou van iedere willekeurige acteur kunnen zijn. Maar en profil is het een eigenzinnig ding, dat maakt dat Bruce Willis permanent een lollige uitdrukking op z'n gezicht heeft, ook als hij niet net met een van z'n inmiddels beroemde oneliners op de proppen komt. Die neus geeft de Die Hard-serie net dat snufje relativering, dat in veel actiefilms ontbreekt.

Terwijl Rambo doodgemoedereerd en zonder verdoving zijn eigen arm dichtnaait, zie je Willis als John Mclane vooral veelvuldig lijden. Hij kermt, kreunt en vervloekt zijn ellendig lot. Regelmatig vraagt hij zich af, waarom hij altijd in zulke krankzinnige situaties terecht moet komen. Waar doet hij het allemaal voor? Niet voor dat incidentele schouderklopje of dat pietepeuterige pensioentje waar hij op kan rekenen. Hij doet het simpelweg omdat er, zoals hij in deel 4 aan zijn sidekick uitlegt, simpelweg niemand anders is om het te doen.

Hoewel Willis in zijn Die Hard-films over behoorlijke spierbundels beschikt, is hij fysiek minder dan perfect. Terwijl Schwarzenegger er alles aan doet, er in Terminator 3 net zo goed uit te zien als in deel 1, wordt Willis van film tot film duidelijk ouder, verweerder en vooral ook kaler. Alleen de kracht van zijn oneliners verandert niet. Nadat hij een helicopter neerhaalt met nota bene een auto, doet hij dit af met: mijn kogels waren op. Yippi-ka-yee! Ik zet de DVD nog maar eens aan.